Auteursrecht en advocaten : an uphill battle.

Auteursrecht en fiscaliteit hebben lange tijd een moeizaam huwelijk gekend in België. De discussie geschiedde immers enigszins à la tête du contrôleur:  zo meende de ene controleur dat auteursrechten roerende inkomsten uitmaakten, ging de andere belastingsambtenaar ervan uit dat het beroepsmatige inkomsten betrof, terwijl de derde het bij de diverse inkomsten klasseerde. Gevolg: twee auteurs uit verschillende arrondissementen werden voor eenzelfde soort inkomsten op een verschillende wijze belast.

Om dit op te lossen werd in 2008 een fiscaal gunstregime gecreëerd voor auteursrechten dat er, kort samengevat, op neerkomt dat :

  • auteursrechten t.e.m. een jaarlijks plafond (voor 2008: 59.970,- €) als roerende inkomsten worden beschouwd;
  • waarvan bepaalde kosten forfaitair in mindering mogen gebracht worden (bijv. 50 % voor auteursrechten t.e.m. 15.660,- € in 2018)
  • en op het aldus bekomen saldo een roerende voorheffing van 15 % moet betaald worden en de rest netto in the pocket van de auteur belandt. 

Concreet voorbeeld: een muzikant ontvangt 10.000,- € van een platenfirma aan auteursrechten. Daarvan wordt 50 % als kost beschouwd en op het saldo van 5.000,- € wordt 15 % voorheffing ingehouden door de platenfirma (en vervolgens aan de staat doorgestort). Per slotsom ontvangt de muzikant aldus 9.250,- € netto.

Aan de bovenstaande samenvatting dienen een aantal nuances gevoegd te worden, doch eenieder ziet onmiddellijk dat dit op fiscaal vlak een bijzonder gunstig regime uitmaakt.

Dat is dan ook menigeen niet ontgaan, ten gevolge waarvan hele beroepsgroepen plots beweerden auteursrechtelijk tewerk te gaan. Architecten, uitgevers, softwareontwikkelaars, bedrijfsleiders, consultants, bedrijfsgurus, enz., allemaal sprongen ze op deze fiscaal interessante kar. De optelsom was immers snel gemaakt: indien een uitgever, i.p.v. 40.000,- € loon uit te betalen (met alle inhoudingen en sociale lasten van dien), plots nog amper 20.000,- € loon en 20.000,- € aan auteursrechten stort, komt hij er per slotsom een stuk goedkoper van af, terwijl de begunstigde auteur net een stuk meer netto overhoudt.

De verliezer in dit verhaal? De Belgische staat die heel wat minder belastingen kan innen. 

Het heeft dan ook niet lang geduurd of de fiscale administratie is paal en perk beginnen stellen aan deze situatie, door een aantal strenge vereisten naar voren te schuiven (o.a. een getekend contract houdende overdracht / licentie van rechten, een duidelijk onderscheid tussen de vergoeding voor het maken van het werk enerzijds en voor de auteursrechten anderzijds, het bewijs dat er auteursrechtelijk te werk wordt gegaan, realistische percentages, enz.)

In een recent arrest  van 30 oktober 2018 heeft het Hof van Beroep te Gent zich gebogen over een beroepscategorie die zelden vermeld is geweest in deze discussie: advocaten.

Advocaten schrijven immers ook teksten en teksten zijn principieel voor auteursrechtelijk bescherming vatbaar, mits ze maar origineel zijn. En dus had een lokale confrater, i.p.v. enkel erelonen aan te rekenen,  zijn cliënten ook een stuk auteursrechten laten betalen. De fiscale administratie is hem hierin niet gevolgd, waardoor de zaak voor de rechtbank beland is.

In voormeld arrest heeft het Gentse Hof zich van haar bekende strenge kant laten zien en heeft de advocaat in kwestie dan ook nul op het rekest gekregen. Zo oordeelt het Hof o.a. dat :

“De door de (advocaat) in de overeenkomst opgesomde handelingen die volgens hem werken zijn waarop hij auteursrecht heeft, zijn handelingen die kenmerkend zijn voor de professionele activiteit van een advocaat in het algemeen, en die elke advocaat moet geacht worden beroepshalve te kunnen stellen. De deskundigheid van de advocaat, zonder originaliteit, levert evenwel op zich geen auteursrechtelijke bescherming (…). De activiteiten van de advocaat zijn omkaderd, en daardoor sterk beperkt, door tal van regels, die zijn vrijheid en creativiteit zeer aan banden leggen. Vanuit zijn professionele kennis van het recht dient hij het recht op de hem voorliggende feiten toe te passen, welke ook de aard van zijn prestatie zij (…). Hij dient noodzakelijkerwijze te presteren rekening houdend met de door hem toe te passen bestaande wetgeving, en zelfs, wat hem persoonlijk betreft, met eerbiediging van zijn beroepsdeontologie. De feiten (ook de feiten soms mogelijk plaatsgrijpend in de toekomst, zoals bij het opstellen van een overeenkomst of sommige adviezen) waarmee de advocaat rekening moet houden dienen zich zonder meer bij hem aan, en zijn niet het gevolg van vrije en creatieve keuzes (…). Gelet op hetgeen voorafgaat moet aangenomen worden dat normaal de advocaat bij zijn beroepsuitoefening geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes, zodat geen sprake kan zijn van auteursrechten, en van overdracht ervan.” 

Het Hof wijst het beroep van de betrokken advocaat op dat punt dus af.

Betekent het dat een advocaat nooit over auteursrechten kan beschikken? Zo ver gaat het Hof niet, aangezien het even verderop uitdrukkelijk meldt dat:

Het is  (de advocaat) mogelijk om het tegenbewijs hiervan te leveren, wat hij evenwel niet doet. Dergelijk bewijs wordt niet geleverd door het citeren van diverse rechtspraak (binnenlandse en voornamelijk buitenlandse), maar zou in concreto en effectief moeten worden aangetoond door de appellanten, en niet door niet concreet ondersteunde veralgemeningen.” 

M.a.w., het Hof sluit niet uit dat een advocaat over auteursrechten kan  beschikken, maar dan zal hij/zij zich niet mogen beperken tot algemene beschouwingen, doch heel concreet moeten aantonen hoe en wanneer hij/zij origineel te werk is gegaan. 

En, zo geeft het Hof wel duidelijk aan: het zal sowieso een uphill battle worden, aangezien de creatieve bewegingsruimte van een advocaat sowieso beperkt is, gelet op de (deontologische en andere) regels die een advocaat moet naleven en de feiten waardoor hij gebonden is.

Een advocaat zal inderdaad in veel gevallen over weinig speelruimte beschikken. Zo moet een contract nu eenmaal bepaalde clausules omvatten, die vaak op stereotype, minstens heel gelijkende wijze worden beschreven en aldus moeilijk tot niet toelaten om daarin, als advocaat-auteur, zijn persoonlijke stempel te drukken. Daarentegen zal een advocaat bij het opstellen van conclusies al heel wat meer creativiteit aan de dag kunnen leggen en m.i. zodoende alsnog origineel in auteursrechtelijke zin tewerk kunnen gaan.  

Maar sowieso zal het, zoals terecht gesteld door het Gentse Hof, aan hem of haar toekomen om aan te tonen waarin die originaliteit dan precies en concreet gelegen is.

Gent, 30 oktober 2018, 2017/AR/770, onuitgegeven. Kopie beschikbaar op verzoek (evm apestaart jvm punt be). Met dank aan Thierry Lauwers voor toezending ervan. 


Le Pliage : de Schrödingers kat van het auteursrecht?

Mode-kenners zullen de nodige belletjes horen rinkelen bij de naam “Le Pliage”. Ontworpen in de jaren ’70 werd deze bekende handtas van Longchamp inmiddels immers wereldwijd ettelijke miljoenen keren aan de man (vrouw) gebracht. Het feit dat Le Pliage haar eigen Wikipedia pagina heeft is hiervan een bijkomend teken aan de wand.

Ook op auteursrechtelijk vlak is dit werk geen onbekende. Populaire werken hebben immers vaak neiging om anderen te “inspireren” om gelijkaardige werken op de markt te brengen. Longchamp heeft dan ook menige procedures ingeleid én gewonnen tegen partijen die een inbreuk gepleegd hebben op haar auteursrechten.

Tot Longchamp plots bot vangt bij het Hof van Beroep te Gent, dat traditiegetrouw, op 20 oktober 2014 op strenge wijze geoordeeld heeft en beslist heeft dat het werk in kwestie geen auteursrechtelijke bescherming verdiende, aangezien “de basiskenmerken van een stijl of een mode niet vatbaar zijn voor bescherming door een auteursrecht (en) de combinatie van vormelementen in “Le Pliage” onmiskenbaar ingang heeft gevonden bij een bepaald publiek en een trend heeft gezet“. M.a.w., sinds de Pliage zijn er zodanig veel handtassen op de markt gekomen die hiermee gelijkenissen vertonen dat het geen individueel werk op zich meer uitmaakt, doch een stijl, een trend is geworden. Le Pliage is zodoende, in de ogen van de Gentse beroepsrechter, ergens het slachtoffer van haar eigen succes geworden.

Het cassatieberoep tegen het Gents arrest wordt door het hoogste hof verworpen op 17 februari 2017 (arrest gevoegd). Het Hof van Cassatie oordeelt o.a. dat het Hof van Beroep te Gent, door te “oordelen dat de combinatie van vormelementen van de handtassen te dezen slechts een modetrend uitmaakt die op zichzelf geen auteursrechtelijke bescherming kan genieten, zich niet (dienden) uit te spreken over de vraag naar de oorspronkelijkheid“. M.a.w., het arrest van het Hof van Beroep houdt stand.

Mogelijks geïnspireerd door deze uitkomst beslist Leonidas een handtas te geven aan haar klanten. Handtas, die, in de ogen van Longchamp, een inbreuk op de Pliage uitmaakt. Leonidas wordt dus gedagvaard voor de Brusselse handelsrechter die op 25 oktober 2017 oordeelt géén rekening te moeten houden met het arrest van het Hof van Beroep te Gent en Leonidas veroordeelt wegens inbreuk op de auteursrechten van Longchamp. Opvallend is dat in het vonnis met geen woord wordt gerept over het arrest van het Hof van Cassatie. Blijkbaar hadden partijen daarover niet gepleit, alhoewel het de beslissing van de Brusselse handelsrechter voorafging.

Iedereen keek dan ook reikhalzend uit naar de beslissing van het Brussels Hof van Beroep. Op 26 juli 2018 (arrest gevoegd) besliste ook het Brussels Hof dat het géén rekening moest houden met de beslissing van haar Gentse collega’s noch met die van het Hof van Cassatie aangezien “Het hof niet gebonden is door de andere uitspraken” (daarbij op licht ironische wijze het Hof van Gent citerend). Leonidas wordt derhalve ook in beroep veroordeeld wegens een auteursrechtelijke inbreuk.

Op zich is dit niet uitzonderlijk. In België kennen gerechtelijke beslissingen immers, op enkele uitzonderingen na, geen algemene gelding (arresten van het Grondwettelijk Hof waarbij een wettelijke bepaling wordt vernietigd, maken dergelijke uitzondering uit). Vonnissen en arresten binden principieel enkel de betrokken partijen. M.a.w., rechters zijn op zich niet gebonden door wat andere rechters gezegd hebben in gelijkaardige gevallen en zijn gerechtigd om anders te oordelen dan hun collega’s. Dit in tegenstelling tot – wat kort door de bocht gaand – het Angelsaksisch rechtssysteem, waar rechters zich veel meer (moeten) aansluiten bij wat andere rechters voor hen hebben geoordeeld.

Toch komt het ergens bevreemdend over dat het Brussels Hof expliciet het arrest van het Hof van Cassatie naast zich neerlegt.

Het een en ander kan een nog vreemdere dimensie krijgen indien Leonidas in cassatie gaat tegen het arrest van het Hof van Beroep te Brussel. Dan moet het Hof van Cassatie zich immers een tweede maal buigen over een zaak, die in se over hetzelfde voorwerp gaat: Le Pliage. Gelet op de bijzondere cassatietechnieken (het Hof van Cassatie oordeelt, samengevat, “in rechte niet in feite”) kan zeker niet uitgesloten worden dat het Hof ook het Brussels arrest niet zal verbreken.

In dat geval zou Le Pliage de auteursrechtelijke Schrödingers kat geworden zijn: tegelijk beschermd en niet beschermd door het auteursrecht …

 

Arrest Cass /  Arrest Hof van Beroep te Brussel

 

Over smaken en kleuren valt (auteursrechtelijk) niet te twisten.

De gustibus et coloribus non disputandum est. 

Onze Romeinse voorvaderen wisten het al. Gisteren kregen ze nogmaals bevestiging van hun gelijk: in een lang verwacht arrest heeft het Europees Hof van Justitie, in haar Grote Kamer (de facto de hoogste juridische instantie in de EU), immers voor recht gezegd dat een smaak niet vatbaar is voor auteursrechtelijke bescherming.

De redenering is even simpel als duidelijk: enkel een ‘werk’ kan auteursrechtelijk beschermd worden. En om van een ‘werk’ te kunnen spreken, dient men te maken te hebben met de “uitdrukkingsvorm van een voorwerp“, waarbij  “dit voorwerp voldoende nauwkeurig en objectief (moet kunnen) worden geïdentificeerd, ook al hoeft deze uitdrukkingsvorm niet per se permanent te zijn“.

Een schilderij kan men nauwkeurig en objectief identificeren (bijv. door een foto ervan). Een boek: idem. Muziek kan men via een partitie of een opname duidelijk omschrijven. Een film: door de DVD voor te leggen heeft men de omschrijving ervan. En, zelfs al zal de ervaring van het werk verschillen (de ene is ontroerd door een film, de andere vindt diezelfde film slaapverwekkend), het werk zelf is en blijft hetzelfde.

Bij smaken is dat echter niet het geval: twee mensen zullen eenzelfde voedingsmiddel (in het dossier dat door het Europees Hof behandeld is ging het om Heksenkaas) niet op dezelfde wijze proeven. Immers, zoals het Hof terecht aanhaalt: de identificatie van de smaak van een voedingsmiddel is hoofdzakelijk gebaseerd op smaakbeleving en smaakervaring, die subjectief en variabel zijn, aangezien zij met name afhankelijk zijn van factoren die eigen zijn aan de persoon die het betrokken product proeft, zoals diens leeftijd, voedselvoorkeuren en consumptiegewoonten, alsmede van de omgeving en de context waarin het product wordt geproefd.

Het gevolg daarvan is dat het werk niet objectief en nauwkeurig kan omschreven worden, waardoor dit voor onaanvaardbare rechtsonzekerheid zou zorgen (hoe kan men immers nagaan of iets namaak is, als het niet mogelijk is om het voorwerp waarvoor men bescherming vordert eenduidig te omschrijven ?).

Gevolg: exit auteursrechtelijke bescherming voor smaken.

De redenering van het Hof maakt m.i. ook komaf met de auteursrechtelijke bescherming voor parfums, aangezien die aan hetzelfde euvel lijden.  De beleving van parfums is m.n. (puur) individueel, al is het maar omwille van de verschillende (chemische) reactie van een parfum met eenieders huid. Op dat punt was de Europese rechtspraak ten andere sterk verdeeld, met de Nederlandse Hoge Raad die parfums auteursrechtelijke bescherming toedichtte en zo een diametraal tegenovergesteld standpunt had ingenomen dan het Franse Cour de Cassation.

Indien een smaak, een voedingsmiddel geen auteursrechtelijke bescherming verdient, wat dan met recepten van (top)chefs? Een volwaardig gerecht vergt immers normaal meer creativiteit dan een ‘simpele’ smaak. Nochtans lijkt dit arrest de deur zo goed als dicht te doen voor de bescherming van gerechten, aangezien ook een gerecht uiteindelijk geproefd dient te worden en dus niet vatbaar is voor een nauwkeurige, eenduidige omschrijving. Kunnen keukenprinsen en-prinsessen dan niets doen om hun gerecht te beschermen? Toch wel, zo kunnen ze (proberen) het recept geheim houden en het aldus beschermen via de nieuwe wettelijke regeling van de bedrijfsgeheimen (waarvoor meer in een latere blogpost). Ook de foto’s van het recept zullen wél beschermd zijn (mits ze aan de originaliteitsvoorwaarde voldoen). En uiteraard kan niemand de naam en het gezicht van de chef gebruiken zonder diens toestemming (gelet op zijn persoonlijkheidsrechten en recht op afbeelding).

Maar het onderliggend recept is, naar mijn aanvoelen, bij deze auteursrechtelijk vogelvrij verklaard.

EHJ, 13 November 2018, C-310/17 (arrest lezen? Klik: Smaak).

Auteursrechtelijke urban legends.

Urband legends, ze bestaan over alles, dus ook over het auteursrecht. Bij deze zeven auteursrechtelijke broodjes aap !

  1. Het auteursrecht beschermt enkel Kunst met een grote K.

Velen denken dat het auteursrecht enkel ‘Kunst’ beschermt, zoals romans, beeldhouwwerken, schilderijen, e.d.m., liefst nog van de hand van gerenommeerde kunstenaars.

Niets van! Het auteursrecht beschermt alle soorten werken, voor zover ze maar (i) in een bepaalde vorm zijn gegoten, (ii) origineel zijn en (iii) door eens mens zijn gemaakt (zie mijn vorige blogpost). Derhalve bestaat er rechtspraak over de auteursrechtelijke bescherming van meubelen, kalenders, handleidingen, de Bic stylo, de Trip Trap stoel, videospelletjes, jingles, handdoekendragers, enzovoort enzoverder.

2. Om auteur te zijn, moet men lid zijn van SABAM / taksen betalen / andere formaliteiten vervullen.

Ook onjuist. Het auteursrecht ontstaat zonder formaliteiten (art. 5.2. Berner Conventie). Van zodra men een werk creëert dat aan de drie voorwaarden voldoet, is het auteursrechtelijk beschermd, zonder depot, zonder te moeten betalen, zonder welke voorwaarde dan ook te moeten vervullen.

Opgelet: het is wel nuttig om aan zijn werk een zogenaamde ‘vaste datum’ te verlenen (om zo te kunnen bewijzen wanneer het ontstaan is), hetgeen bijv. kan via een i-depot (maar hetgeen dus geen vereiste is!).

3. Zeven verschillen volstaan om iedere inbreuk uit te sluiten.

Ook deze legende doet vaak de ronde: indien er tussen twee werken zeven verschillen bestaan, zou het nieuwe werk geen inbreuk uitmaken op het oude werk.

Ook dit moet echter naar het land der fabelen verwezen worden. Wanneer een werk al is het maar één origineel element overneemt uit een ander werk is er een inbreuk.

M.a.w., een werk kan maar op één punt verschillen en geen inbreuk uitmaken (want het verschil slaat net op dat ene originele element), terwijl twee werken bij wijze van spreken op 18 punten kunnen verschillen en er zich toch een auteursrechtelijk probleem stelt.

4. Als men minder dan X € vraagt, moet men geen SABAM betalen.

Een andere klassieker, vaak gehoord in studentenmilieus: wanneer men een fuif organiseert die hetzij gratis is, dan wel met een toegangsprijs van minder dan X € (de X verschilt naargelang wie de legende vertelt) is er geen SABAM verschuldigd.

Ook dit klopt niet. In werkelijkheid is de toestemming van de rechthebbenden steeds vereist wanneer hun muziek op een publieke plaats afgespeeld wordt, wat ook de toegangsprijs moge zijn (alhoewel de hoogte daarvan kan meespelen voor de vergoeding die verschuldigd is). Bij het afspelen van muziek in wat men de “familiekring” noemt is daarentegen de toestemming van de rechthebbenden niet vereist.

5. Zonder (c)-vermelding is men niet beschermd.

Deze legende heeft een historische achtergrond, in die zin dat in het verleden in de USA wél formaliteiten voorzien waren alvorens men van het auteursrecht (copyright) kon genieten, waaronder het gebruik van het (c)-teken.

Bij ons is dat niet het geval. Toch is het gebruik hiervan nuttig, aangezien het kan helpen om aan te tonen dat men de auteur is van het werk (zie art. XI.170 WER: “Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als auteur aangemerkt wiens naam of letter- woord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op het werk, op een reproductie van het werk, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.”)

Daarnaast is het gebruik van dit teken nog deels nuttig in de USA, o.a. in het kader van procedures (zie deze interessante samenvatting).

6. Het staat op het internet, dus iedereen mag het gebruiken!

Vermoedelijk is dit het meest gehoorde verweer bij online gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal (foto’s, tekeningen, muziek, enz.). Een bekende variatie hiervan is : “ik heb het via Google gevonden, dus is het niet beschermd“.

Helaas pindakaas, maar zo werkt het niet. Wanneer een werk beschermd is, is de toestemming van de rechthebbende vereist alvorens men dit mag gebruiken. Het feit dat het (al dan niet illegaal) online is geplaatst, maakt geen verschil (tenzij het onder een van de creative commons regimes verspreid werd, dan wel de auteur uitdrukkelijk de toelating geeft om zijn werk te gebruiken natuurlijk).

7. Mijn idee is auteursrechtelijk beschermd.

Last but not least, een hardnekkige legende die menigeen zuur is opgebroken. Ideeën zijn immers niet beschermd door het auteursrecht (ze maken immers geen werken uit die in een bepaalde vorm gegoten zijn). Ideeën zijn met andere woorden vrij.

Let dus sterk op met (geniale) ideeën: deel ze aan niemand mee, maar werk ze eerst uit in een concreet werk of laat de bestemmeling minstens eerst een bindende NDA tekenen.

Anders kan een ander er ongestraft mee gaan lopen. En dat is geen legende…

En toen kwam de auteursrechtelijke aap uit de mouw.

Bij de analyse of een werk auteursrechtelijk beschermd is, wordt er gebruikelijk nagegaan of twee voorwaarden voldaan zijn:

  • het werk moet enerzijds in een bepaalde vorm gegoten zijn. Lees: is het werk meer dan een louter idee, heeft het een concrete vorm gekregen? Deze voorwaarde stelt zelden een probleem, behalve in een aantal grijze zones (denk aan tv-formats, concepten, enz.);
  • anderzijds moet het werk origineel zijn, hetgeen in de klassieke definitie wordt ingevuld als zijnde “het resultaat van een intellectuele inspanning waardoor de auteur zijn persoonlijke stempel op het werk heeft kunnen drukken” of met andere woorden: de auteur heeft creatieve keuzes moeten maken (die bovendien niet voor de hand mogen liggen) bij het ontwerpen van zijn werk (voor een recente toepassing, zie: Cass., 31 oktober 2013, C.12.0263.N, www.juridat.be)

Nochtans is er een derde voorwaarde, die zo evident lijkt te zijn, dat ze gebruikelijk niet eens wordt vermeld: het werk moet door een mens gemaakt zijn. Zo voorziet art. XI.170 WER dat : “De oorspronkelijke auteursrechthebbende is de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd.”

Het werk moet dus door een mens, natuurlijke persoon, gemaakt zijn om auteursrechtelijk beschermd te kunnen zijn.

Recent kwam deze derde voorwaarde vrij uitvoerig in het nieuws, meer bepaald in het kader van de “aap-selfie”. Een fotograaf, David Slater genaamd, had apen geleerd om een fototoestel te gebruiken. Het resultaat: een breed grijnzende selfie van een aap die onmiddellijk viraal ging, hetgeen niet naar de zin was van de fotograaf in kwestie. Deze laatste begon een proces om het auteursrecht op de foto te claimen. Na enige doemberichten (het proces zou hem geruïneerd hebben) heeft hij blijkbaar alsnog een deal uit de brand weten te slepen, waarbij hij 25 % van de opbrengsten aan dierenorganisaties zal doneren. Vanuit een juridisch oogpunt is het belangrijk te melden dat een Amerikaanse rechter beslist heeft dat dieren geen auteursrecht kunnen hebben. M.a.w., aangezien David Slater de foto niet gemaakt heeft bezit hij geen auteursrecht hierop, terwijl de aap in kwestie – overigens gekend onder de naam Naruto  – hierop sowieso – dier zijnde – geen auteursrecht kan bezitten. Anders gezegd: de foto valt, zoals de dingen er nu voorstaan, in het publiek domein (en mag dus door eenieder gebruikt worden).

Dit op zich vrij anekdotisch verhaal (dat toch zijn eigen Wikipedia-pagina heeft!) raakt wel een fundamenteel probleem aan: wat met werken die niet door mensen zijn gemaakt?

Indien men kan vermoeden dat er niet zo heel veel dieren werken zullen creëren (alhoewel er schilderende apen, olifanten, reptielen en zelfs dolfijnen bestaan!) zijn er andere situaties die wel veel meer voorkomen waarbij werken ontstaan zonder dat er onmiddellijk een menselijke auteur aan te pas komt.

Denk bijvoorbeeld aan fotocabines, waarmee pasfoto’s worden gemaakt. Dit gebeurt volautomatisch zonder dat een fotograaf de keuzes maakt die typisch geassocieerd worden met het auteursrecht (keuze onderwerp, voorwerp van de foto, belichting, camerahoek, sfeer, enz.). Voor zover pasfoto’s al origineel zouden zijn, is dat niet het resultaat van een menselijke tussenkomst : de machine ‘drukt af’ eenmaal de timer afgelopen is. Kan de persoon die de camera heeft ingesteld bij het opstellen van de machine eventueel als auteur worden aanzien? M.i. niet. Niet alleen omdat het om standaardinstellingen zal gaan (die bezwaarlijk als origineel kunnen bestempeld worden), maar bovendien en vooral: hij maakt uiteindelijk de foto niet en maakt dus per definitie geen enkele creatieve keuze bij het ontstaan van de foto.

Idem met satellietfoto’s, foto’s die gemaakt worden door drones, enz. : het gaat in (het merendeel van) die gevallen om foto’s die automatisch, vaak met een reguliere interval, door machines worden gemaakt, zonder enige concrete menselijke tussenkomst.

En dit vraagstuk zal nog scherper worden gesteld in de toekomst, wanneer artificiële intelligentie (beter bekend als ‘AI’) meer en meer de kop zal opsteken. We hebben het dus niet meer over een werk dat gemaakt wordt door een mens met behulp van een computer (computerspellen, foto’s die geretoucheerd worden met photoshop, enz.) maar wel over een werk dat door een computer wordt gemaakt. Dit is trouwens geen science fiction meer. Zo heeft een door een programma geschreven kortverhaal bijna een literaire prijs gewonnen in Japan,  zijn computers autonoom in staat muziek te maken en heeft zelfs een nieuwe Rembrandt het levenslicht gezien dankzij de rekenkracht van een computer!

De aldus gemaakte werken zijn in auteursrechtelijke zin origineel te noemen. Waren ze door mensenhanden tot leven gebracht genoten ze dus van de auteursrechtelijke bescherming. Maar dat zijn ze niet: ze zijn ontsproten uit het ‘brein’ van machines. De derde voorwaarde is dus niet vervuld.

Ook hier zal de programmeur van de onderliggende software m.i. overigens bot vangen indien hij zou trachten te bepleiten dat hij de auteur is van de werken in kwestie. Hij heeft weliswaar het kader geschapen maar niet de werken zelf en zou dus van zijn eis moeten afgewezen worden. Of om een mank lopende vergelijking te gebruiken: de eigenaar van een studio kan ook niet beweren (mede-)auteur te zijn van een aldaar gemaakt schilderij omdat hij al het daartoe vereiste materiaal ter beschikking heeft gesteld.

Ook dat soort werken maakt dus – bij gebreke aan menselijke interventie bij het ontstaan van het werk zelf – m.i. automatisch deel uit van het publiek domein en dit tot de wetgever eventueel een nieuw intellectueel recht zou voorzien, waarbij een bepaalde bescherming wordt toegekend aan dat soort werken, dan wel het auteursrecht naar dit soort werken zou uitbreiden.

Tot zolang zullen selfie-trekkende apen, schilderende dolfijnen en andere kunstzinnige computers echter misnoegde artiesten blijven.

Interessante lectuur : Should robots be given copyright protection? en Photomaton: l’automatotauteur?