Auteursrecht en advocaten : an uphill battle.

Auteursrecht en fiscaliteit hebben lange tijd een moeizaam huwelijk gekend in België. De discussie geschiedde immers enigszins à la tête du contrôleur:  zo meende de ene controleur dat auteursrechten roerende inkomsten uitmaakten, ging de andere belastingsambtenaar ervan uit dat het beroepsmatige inkomsten betrof, terwijl de derde het bij de diverse inkomsten klasseerde. Gevolg: twee auteurs uit verschillende arrondissementen werden voor eenzelfde soort inkomsten op een verschillende wijze belast.

Om dit op te lossen werd in 2008 een fiscaal gunstregime gecreëerd voor auteursrechten dat er, kort samengevat, op neerkomt dat :

  • auteursrechten t.e.m. een jaarlijks plafond (voor 2018: 59.970,- €) als roerende inkomsten worden beschouwd;
  • waarvan bepaalde kosten forfaitair in mindering mogen gebracht worden (bijv. 50 % voor auteursrechten t.e.m. 15.990,- € in 2018)
  • en op het aldus bekomen saldo een roerende voorheffing van 15 % moet betaald worden en de rest netto in the pocket van de auteur belandt. 

Concreet voorbeeld: een muzikant ontvangt 10.000,- € van een platenfirma aan auteursrechten. Daarvan wordt 50 % als kost beschouwd en op het saldo van 5.000,- € wordt 15 % voorheffing ingehouden door de platenfirma (en vervolgens aan de staat doorgestort). Per slotsom ontvangt de muzikant aldus 9.250,- € netto.

Aan de bovenstaande samenvatting dienen een aantal nuances gevoegd te worden, doch eenieder ziet onmiddellijk dat dit op fiscaal vlak een bijzonder gunstig regime uitmaakt.

Dat is dan ook menigeen niet ontgaan, ten gevolge waarvan hele beroepsgroepen plots beweerden auteursrechtelijk tewerk te gaan. Architecten, uitgevers, softwareontwikkelaars, bedrijfsleiders, consultants, bedrijfsgurus, enz., allemaal sprongen ze op deze fiscaal interessante kar. De optelsom was immers snel gemaakt: indien een uitgever, i.p.v. 40.000,- € loon uit te betalen (met alle inhoudingen en sociale lasten van dien), plots nog amper 20.000,- € loon en 20.000,- € aan auteursrechten stort, komt hij er per slotsom een stuk goedkoper van af, terwijl de begunstigde auteur net een stuk meer netto overhoudt.

De verliezer in dit verhaal? De Belgische staat die heel wat minder belastingen kan innen. 

Het heeft dan ook niet lang geduurd of de fiscale administratie is paal en perk beginnen stellen aan deze situatie, door een aantal strenge vereisten naar voren te schuiven (o.a. een getekend contract houdende overdracht / licentie van rechten, een duidelijk onderscheid tussen de vergoeding voor het maken van het werk enerzijds en voor de auteursrechten anderzijds, het bewijs dat er auteursrechtelijk te werk wordt gegaan, realistische percentages, enz.)

In een recent arrest  van 30 oktober 2018 heeft het Hof van Beroep te Gent zich gebogen over een beroepscategorie die zelden vermeld is geweest in deze discussie: advocaten.

Advocaten schrijven immers ook teksten en teksten zijn principieel voor auteursrechtelijk bescherming vatbaar, mits ze maar origineel zijn. En dus had een lokale confrater, i.p.v. enkel erelonen aan te rekenen,  zijn cliënten ook een stuk auteursrechten laten betalen. De fiscale administratie is hem hierin niet gevolgd, waardoor de zaak voor de rechtbank beland is.

In voormeld arrest heeft het Gentse Hof zich van haar bekende strenge kant laten zien en heeft de advocaat in kwestie dan ook nul op het rekest gekregen. Zo oordeelt het Hof o.a. dat :

“De door de (advocaat) in de overeenkomst opgesomde handelingen die volgens hem werken zijn waarop hij auteursrecht heeft, zijn handelingen die kenmerkend zijn voor de professionele activiteit van een advocaat in het algemeen, en die elke advocaat moet geacht worden beroepshalve te kunnen stellen. De deskundigheid van de advocaat, zonder originaliteit, levert evenwel op zich geen auteursrechtelijke bescherming (…). De activiteiten van de advocaat zijn omkaderd, en daardoor sterk beperkt, door tal van regels, die zijn vrijheid en creativiteit zeer aan banden leggen. Vanuit zijn professionele kennis van het recht dient hij het recht op de hem voorliggende feiten toe te passen, welke ook de aard van zijn prestatie zij (…). Hij dient noodzakelijkerwijze te presteren rekening houdend met de door hem toe te passen bestaande wetgeving, en zelfs, wat hem persoonlijk betreft, met eerbiediging van zijn beroepsdeontologie. De feiten (ook de feiten soms mogelijk plaatsgrijpend in de toekomst, zoals bij het opstellen van een overeenkomst of sommige adviezen) waarmee de advocaat rekening moet houden dienen zich zonder meer bij hem aan, en zijn niet het gevolg van vrije en creatieve keuzes (…). Gelet op hetgeen voorafgaat moet aangenomen worden dat normaal de advocaat bij zijn beroepsuitoefening geen intellectuele scheppingen tot stand brengt die het gevolg zijn van vrije en creatieve keuzes, zodat geen sprake kan zijn van auteursrechten, en van overdracht ervan.” 

Het Hof wijst het beroep van de betrokken advocaat op dat punt dus af.

Betekent het dat een advocaat nooit over auteursrechten kan beschikken? Zo ver gaat het Hof niet, aangezien het even verderop uitdrukkelijk meldt dat:

Het is  (de advocaat) mogelijk om het tegenbewijs hiervan te leveren, wat hij evenwel niet doet. Dergelijk bewijs wordt niet geleverd door het citeren van diverse rechtspraak (binnenlandse en voornamelijk buitenlandse), maar zou in concreto en effectief moeten worden aangetoond door de appellanten, en niet door niet concreet ondersteunde veralgemeningen.” 

M.a.w., het Hof sluit niet uit dat een advocaat over auteursrechten kan  beschikken, maar dan zal hij/zij zich niet mogen beperken tot algemene beschouwingen, doch heel concreet moeten aantonen hoe en wanneer hij/zij origineel te werk is gegaan. 

En, zo geeft het Hof wel duidelijk aan: het zal sowieso een uphill battle worden, aangezien de creatieve bewegingsruimte van een advocaat sowieso beperkt is, gelet op de (deontologische en andere) regels die een advocaat moet naleven en de feiten waardoor hij gebonden is.

Een advocaat zal inderdaad in veel gevallen over weinig speelruimte beschikken. Zo moet een contract nu eenmaal bepaalde clausules omvatten, die vaak op stereotype, minstens heel gelijkende wijze worden beschreven en aldus moeilijk tot niet toelaten om daarin, als advocaat-auteur, zijn persoonlijke stempel te drukken. Daarentegen zal een advocaat bij het opstellen van conclusies al heel wat meer creativiteit aan de dag kunnen leggen en m.i. zodoende alsnog origineel in auteursrechtelijke zin tewerk kunnen gaan.  

Maar sowieso zal het, zoals terecht gesteld door het Gentse Hof, aan hem of haar toekomen om aan te tonen waarin die originaliteit dan precies en concreet gelegen is.

Emmanuel Van Melkebeke.

Gent, 30 oktober 2018, 2017/AR/770, onuitgegeven. Kopie beschikbaar op verzoek (evm apestaart jvm punt be). Met dank aan Thierry Lauwers voor toezending ervan.